De genealogie van Thierry Baudet

De familie Baudet

Op zijn eigen website plaatste Baudet, heel transparant, een interview uit HP-De Tijd, waarin een en ander haarfijn uit de doeken wordt gedaan:

‘De in Haarlem geboren Thierry Baudet komt uit wat men noemt een goed milieu. In de napoleontische tijd kwam de eerste Baudet uit Frankrijk om in Nederland wiskunde en ballistiek (de wetenschap die zich bezighoudt met de beweging van projectielen) te onderwijzen. Daarmee werd een academische traditie in gang gezet. Thierry’s overgrootvader Henri was een briljant wiskundige en op zijn 28ste hoogleraar in Delft. Hij trouwde met Ernestine van Heemskerck, dochter van de Indisch-Nederlandse ijsblokkenfabrikant Willem-Frederik van Heemskerck en de Indisch-Nederlandse Josephine van Francquemont, waardoor van beide kanten Indisch bloed in de familieaderen werd gepompt. Grootvader Henri junior was hoogleraar geschiedenis en een verdienstelijk cellist. Vader Baudet is historicus en pianist.’

Op basis van online bronnen kun je behoorlijk eenvoudig, met dit tekstje als vertrekpunt, de voorvaders van Thierry Baudet in kaart brengen:

Thierry Henri Philippe Baudet, publicist (geboren 1983) 

zoon van:

Marcel Baudet, musicus (geboren 1951) 

zoon van:

Ernest Henri Philippe Baudet, historicus, cellist (1919-1998) 

zoon van:

Pierre Joseph Henri Baudet, wiskundige (1891-1921) 

zoon van:

Henri Philippe Baudet, geneesheer (1856-1912)

Het Badhotel in de beginjaren, volgens mij het mooiste gebouw van Baarn!

 Het allermooiste gebouw dat ooit in Baarn heeft gestaan is voor mij zonder twijfel het badhotel in het Prins Hendrikpark in Baarn. Het Prins Hendrikpark werd kort na de aanleg van de spoorlijn langs Baarn ontwikkeld. Een groep Baarnse notabelen namen het initiatief voor de bouw van een sanatorium in het park.  De commissie bestaande uit baron baron d’Aulnis de Bourouill, Elinck Schuurman, Jacob Hartsen (directeur van de gasfabriek), de vermogende tabakshandelaar Jacob Nienhuys, burgemeester Teding van Berkhout en Teixeira de Mattos als voorzitter van de Baarnse Bouw Maatschappij, gaf aan het architectenbureau Th. Sanders en Berlage opdracht om de plannen uit te werken. zie afbeelding 

In 1887 was het eerste deel klaar om geopend te worden. Het prachtige gebouw lag erbij om door een ringetje te halen. Zoiets moois had Baarn nog nooit gezien. Van begin af aan was het sanatorium een succes. Van heinde en verre kwamen mensen naar Baarn om rust te vinden en te herstellen van ziektes. Toen in 1888 het sanatorium helemaal gereed was, waren er maar liefst 68 logeerkamers beschikbaar. Het gebouw had toen f 100.000 gekost. Een kapitaal in die tijd! Tot de ziekten die bestreden konden worden hoorden volgens geneesheer-directeur dr. Henri Philippe Baudet (1855-1912), de zenuwspecialist, ziekten van het zenuwstelsel, zoowel algemeene zenuwzwakte (neurasthenie), hysterie en hypochondrie als sommige meer ernstige ziekten van Hersenen en Ruggemerg.  (Eric van Ent)

zoon van:

Pierre Joseph Henri Baudet, leraar (1824-1878) 

zoon van:

Floribert Hijacinthe Fredric Baudet, (1799-1839) 

zoon van:

Pierre Joseph Baudet (1778-1858)

Henegouwen

Hier zijn we dan aangeland bij de herkomst van Thierry Baudets Frans klinkende achternaam. In de biografie van Thierry’s grootvader op dbnl.nl (geschreven door Cees Fasseur) staat het volgende over die stamvader Pierre Joseph Baudet te lezen:

‘Van vaderszijde stamde hij af van Pierre Joseph Baudet (1778-1858), kostschoolhouder, wiskundige en schrijver van Franse grammatica’s, die, uit Henegouwen komend en op de loop voor de Franse conscriptie, zich in 1795 in Nederland had gevestigd.’

Geen Fransman dus, maar een Belg (avant-la-lettre) uit Henegouwen. Om precies te zijn uit Braine-le-Comte. Op de vlucht voor de Franse conscriptie.

Vluchten voor de dienstplicht

Dat was wel een ding hoor, in de Franse tijd, het vluchten voor de conscriptie. Veel jonge mannen, die opgeroepen werden voor het Franse leger, hadden er helemaal geen trek in om in het leger te gaan om in oorlogen te vechten. Zeker niet als ze getalenteerd waren en wel betere manieren hadden om hun brood te verdienen.

Toevallig komt mijn familie ook in die tijd vanuit België naar Nederland, en in mijn kast staat een interessant boek over de geschiedenis van het stadje van mijn voorouders in de Franse tijd: ‘Het kanton Bree tijdens de Franse Revolutie’, waarin auteur Henri Peeters deze periode zeer grondig beschrijft (pag. 238-249).

Ondergedoken dienstplichtigen hadden het zwaar te verduren: verbeurdverklaring van hun goederen en inbeslagname van die van hun ouders. De dienstplichtingen vluchtten dan ook massaal naar de Bataafse Republiek.

Peeters: ‘Alle dienstplichtigen waren, sommigen vóór, de meesten onmiddellijk na hun registratie op de militielijsten, naar het buitenland vertrokken (Rijksarchief Maastricht, Frans archief 1245). De resultaten van de recrutering waren voor Frankrijk ontgoochelend: Op een totaal van 202.000 dienstplichtigen werden er 143.000 goed voor de dienst bevonden, doch slechts 96.000 meldden zich in de kazerne aan’ (pag. 245).

Tienduizenden jonge mannen op de vlucht voor een dictatoriaal regime, waaronder de voorvader van Thierry Baudet.

En wat is het goed uitgepakt.

De familiegeschiedenis van Thierry Baudet is een prachtig verhaal van een geslaagde vluchtelingenfamilie.

Peter Fasol

werkt sinds 1998 als eindredacteur, speechschrijver en communicatieadviseur voor de rijksoverheid. Hij interesseert zich verder voor alles, maar in het bijzonder voor genealogie en antieke boekdrukken.

Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1999(1999)– [tijdschrift] Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde [1901-2000]

 Ernest Henri Philippe Baudet
‘s-Gravenhage 29 januari 1919 – Leiden 16 december 1998

Ernest Henri Philippe (Han) Baudet was een veelzijdig man. Het terrein van zijn wetenschappelijk onderzoek strekte zich uit van de geschiedenis van de Middeleeuwen tot die van technische innovaties als de balpen en de ijskast. Zijn werk omspande de sociaal-economische geschiedenis in al haar facetten en die van het voormalige Nederlands-Indië. Daarnaast was hij een begaafd en geestdriftig cellist, schaakspeler, literator en briefschrijver; verder een uitstekend pedagoog, amusant causeur en bezielend docent. Bovenal was hij een vitale en warme persoonlijkheid, die heel veel mensen aan zich wist te binden. De overweldigende belangstelling bij zijn ‘memorial service’ in het Groene Kerkje te Oegstgeest op 22 december 1998 legde daarvan getuigenis af.

Van vaderszijde stamde hij af van Pierre Joseph Baudet (1778-1858), kostschoolhouder, wiskundige en schrijver van Franse grammatica’s, die, uit Henegouwen komend en op de loop voor de Franse conscriptie, zich in 1795 in Nederland had gevestigd. De wiskundige belangstelling van Han Baudet valt mogelijk tot deze verre voorvader te herleiden, maar men kan de kiem daarvan natuurlijk ook dichter bij huis zoeken. Zijn vader P.J.H. Baudet (1891-1921) was hoogleraar in de zuivere en toegepaste wiskunde en de mechanica te Delft. De jonge Baudet heeft zijn vader niet bewust gekend. Deze stierf al op dertigjarige leeftijd na een ziekbed van slechts drie dagen aan een longontsteking. Ook al was het abrupt doven van de feestelijk versierde kerstboom als teken van rouw het enige wat hem van die droevige gebeurtenis zou heugen, dit tragische verscheiden moet een enorme leegte hebben achtergelaten. Veel in Baudets latere leven laat zich uit dit gemis verklaren, zoals zijn hang naar gezelligheid en geborgenheid, zijn loyaliteit aan zijn vriendenkring, zijn besef van de kortstondigheid van het menselijk bestaan en misschien ook wel zijn wegvluchten in een niet aflatende reeks van activiteiten en bezigheden. Hij deed alles met hartstocht en gedrevenheid, alsof zijn dag achtenveertig uren telde.

Zijn moeder, Ernestine van Heemskerck, stamde uit een Indische familie; haar vader had een ijsfabriek in Kediri. Met tal van banden voelde Han Baudet zich met haar geboorteland verbonden, al zou hij Indonesië pas in 1991 voor de eerste (en laatste) keer bezoeken. Een voorgenomen reis aan het einde van zijn middelbareschooltijd naar het toenmalige rijksdeel overzee werd op het laatste ogenblik – het witte tropenpak hing al in de kast – vanwege een sterfgeval afgelast.

Zijn aanleg voor wiskunde deed hem aanvankelijk besluiten om, na het aflopen van de hogere burgerschool aan de Haagse Stadhouderslaan, zich als student in de wis- en natuurkunde te Leiden in te schrijven. Eenmaal student werd echter weldra zijn belangstelling voor de geschiedenis gewekt, waarna hij de exacte vakken vaarwel zei. Huizinga werd een bewonderde leermeester, zij het niet voor lang door de sluiting van de universiteit in 1941. Het kandidaatsexamen kon Baudet nog juist op tijd te Utrecht afleggen voordat het tekenen van een loyaliteitsverklaring werd verlangd; het doctoraalexamen (te Leiden) met als hoofdvak oude geschiedenis volgde kort na de bevrijding.

De oorlogsjaren waren voor Baudet een enerverende tijd. Hij raakte betrokken bij verschillende vormen van verzetswerk, in het bijzonder bij het onderbrengen van joodse kinderen; ook redigeerde hij een verzetskrant. In de laatste oorlogswinter trad hij in het huwelijk met Senta Bernadine Johanna Goverts. Het was het begin van een lang en harmonieus huwelijk, dat overigens niet vrij was van beproevingen; hun oudste, lichamelijk ernstig gehandicapte, kind vergde veel zorg van de nog jonge ouders.

De aanvullende examens Latijn en Grieks, die Baudet als gewezen hbs-leerling aan het begin van zijn geschiedenisstudie had moeten afleggen, bewezen hun nut bij de voorbereiding van zijn dissertatie over de invloed van het werk van de kerkvader Augustinus op de middeleeuwse geschiedfilosofie, zoals nader uitgewerkt in de Mittelalterliche Zeitanschauungen van de Duitse mediëvist Ernst Bernheim (1850-1942). De rechtshistoricus en gewezen Leids hoogleraar, tevens voormalig lid van de Raad van Indië, J. van Kan (1877-1944), had hem op dit onderwerp gezet. Van Kan, het type van de grand seigneur, moet voor de jonge Baudet de inspirerende vaderfiguur zijn geweest, die hij in zijn jeugd ontbeerd had. Aan hem was ook het proefschrift opgedragen, waarop hij in 1948 bij de Leidse hoogleraar in de wijsbegeerte F.L.R. Sassen promoveerde, nadat Huizinga’s opvolger Th. J.G. Locher tot teleurstelling van de promovendus voor het dissertatieonderwerp geen belangstelling had getoond.

Het proefschrift (Onderzoekingen over het Systeem der Middeleeuwsche Geschiedbeschouwing) was een werk van grote eruditie, met zeldzame volharding voorbereid en geschreven in de marge van een jachtig bestaan als journalist bij het Algemeen Nederlands Persbureau, waar Baudet in de zomer van 1945 in dienst was getreden om er al spoedig chef-redacteur van de Indische afdeling te worden. Zo kwam hij van zeer nabij in aanraking met het Nederlands-Indonesische dekolonisatieconflict, een thema dat hem zijn leven lang zou blijven boeien.

Baudet was, zoals hij eens opmerkte, niet de man die voor zichzelf een vaste lijn in zijn leven uitzette. Het onderwerp van zijn dissertatie heeft hij nadien tot in zijn laatste levensjaar laten rusten. Ook zijn werkkring bij het anp gaf hij kort na zijn promotie op. Hij aanvaardde een leraarsfunctie bij het Nederlands Lyceum in zijn geboortestad.

In 1953 vertrok Baudet met zijn gezin voor een jaar naar Frankrijk. De studie waarvoor hem een beurs was toegekend – een onder supervisie van André Siegfried te verrichten onderzoek naar het beeld van de Franse samenleving in de negentiende eeuw, gezien vanuit de literatuur van die tijd – kwam er nooit; wel een prachtig literair werk over het dagelijks leven in Saint-Soupplets. Het gezin Baudet had in dit plaatsje ten noordoosten van Parijs in een ruim oud huis domicilie gekozen. In 1955 verschenen, werd Mijn dorp in Frankrijk in de kritieken alom geprezen, verschillende malen herdrukt, en uiteindelijk ook in het Frans vertaald.

Zijn naam was daarmee gevestigd. Er was sprake van een aanstelling in Londen op de leerstoel Nederlandse geschiedenis. Op aanraden van de Utrechtse historicus Pieter Geyl, vroeger bekleder van die leerstoel en begeleider van zijn onderzoek in Frankrijk, gaf hij echter de voorkeur aan een gelijktijdig uit Groningen gekomen aanbod. In de zomer van 1956 werd hij daar, mede op voorspraak van de Groningse socioloog P.J. Bouman, die zijn recente boek van een voorwoord had voorzien, tot hoogleraar benoemd als opvolger van B.H. Slicher van Bath. De leeropdracht – het doceren van de sociaal-economische geschiedenis in de economische en sociale faculteit – opende voor Baudet een geheel nieuw onderzoeksterrein. Zijn oratie op 1 december 1956, Historie en menselijke verhoudingen, gaf reeds in de titel aan waar het bij hem vooral om ging en altijd gegaan is: om de studie van de geschiedenis als menswetenschap. Hij wees daarin op het belang van sociaal-psychologische theorieën voor een beter inzicht in historische processen.

Tot 1984 is hij hoogleraar in Groningen gebleven. Hij was aan universiteit en stad gehecht en vormde om zich heen een kring van toegewijde medewerkers en promovendi. Tal van grotere en kleinere publicaties verschenen in die jaren van zijn hand; van enkele bedrijfsgeschiedenissen en leerboeken, zoals het in 1978 verschenen Kernproblemen der Economische Geschiedenis, voerde hij de redactie. Tot een synthese in de vorm van grote samenvattende werken kwam het overigens niet. Zijn geest was misschien te speels, hijzelf te gemakkelijk afgeleid, om zich voor langere tijd in de afzondering van de studeerkamer aan een grote monografie te wijden. Aanbiedingen om naar Amerika te komen, na de verschijning van de Engelse vertaling van zijn uit 1959 daterende Het paradis op aarde, een groot cultuurhistorisch essay over de verhouding van de Europese tot de buiten-Europese mens, sloeg hij af. Wel gaf hij er een serie gastcolleges, onder andere te Harvard en Yale, aan welke laatste universiteit een goede vriend, Harry J. Benda, doceerde.

Of hij een dergelijk aanbod uit Leiden zou hebben afgeslagen, is minder zeker. Na de dood van T.H. Milo in 1961 – aan wie Baudet een levensbericht in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde wijdde – kwam daar de leerstoel in de overzeese en zeegeschiedenis vacant. Locher en Leiden bleken echter niet veel belang te hechten aan de continuering van een leerstoel die toen te ‘traditioneel’ werd geacht. Misschien speelde ook mee dat Baudet in een periode waarin erg kritisch werd teruggekeken op het koloniale tijdperk, te zeer als een verdediger van wat voorgoed voorbij leek werd beschouwd. Zijn nauwe band met een ander gewezen lid van de Raad van Indië, de uiterst conservatieve J.W. Meyer Ranneft, zal daaraan niet vreemd zijn geweest. In zijn in 1961 tezamen met de Amsterdamse hoogleraar I.J. Brugmans uitgegeven bundel Balans van beleid. Terugblik op de laatste halve eeuw van Nederlandsch-Indië kwam een vijftiental Indischgasten aan het woord, die de goede zijden belichtten welke het Nederlands koloniaal bestuur natuurlijk ook gekend had. In veler ogen toen was dit een te eenzijdige benadering. Wars van ‘anti-koloniale retoriek’, zoals hij het zelf eens genoemd heeft, maar daarom nog niet onkritisch, toonde hij zich ook in zijn in 1983 verschenen, tezamen met M. Fennema en anderen uitgegeven bundel Het Nederlands belang bij Indië, en in kleinere publicaties als ‘Nederland en de rang van Denemarken’, in: H.W. Lambers e.a., Ondernemer en omgeving (1975) en ‘Netherlands retreat from empire’, in: Internationale Spectator 13 (1967).

De romanticus Baudet was een ridderlijk verdediger van verloren zaken en vervlogen idealen. ‘Ik hang van emoties aan elkaar’, schreef hij eens. Zo spande hij zich in de tweede helft van de jaren zeventig zeer in voor de Zuid-Molukse gemeenschap in Nederland en haar, zijns inziens terechte, zij het met verkeerde middelen gevoerde strijd om erkenning van het zelfbeschikkingsrecht.

Ook daarna, tot in zijn laatste levensjaar, bleef hij wetenschappelijk werkzaam. Hij publiceerde nog verschillende artikelen en boekrecensies en was de graag geziene bezoeker bij vergaderingen van de Commissie voor geschied- en oudheidkunde van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en van het Historisch Gezelschap te ‘s-Gravenhage. Hij stierf in het harnas. Daags na een lezing werd hij in oktober 1998 door een hartinfarct overvallen; een tweede infarct enkele weken later luidde het einde in. Hij overleed op 16 december 1998 en werd begraven in ‘zijn’ dorp in Bourgondië, Corpoyer-la Chapelle, waar hij tezamen met zijn vrouw Senta zo menigmaal vrienden en vermoeide reizigers uit Nederland een gastvrij onthaal had bereid.

cees fasseur

Voornaamste publicaties

Een Bibliografie van Henri Baudet verscheen bij zijn afscheid te Groningen in 1984.

Sedertdien publiceerde hij naast de in de tekst opgegeven werken en tal van boekbesprekingen:

De maat van alle dingen. (Afscheidsrede Delft, 2 december 1987.)

Nooit bij stil gestaan (1988).

‘Ernst Bernheims ‘Unvollendete’. Een zwanenzang’, in: Jo Tollebeek, Georgi Verbeeck en Tom Versechaffel (red.), De lectuur van het verleden. Opstellen over de geschiedenis van de geschiedschrijving aangeboden aan Reginald de Schryver. Leuven 1998, p. 313-330.

Aspecten van Tijd. Gezichtspunt vanuit de alpha-, bèta- en gamma-wetenschappen. Den Haag 1999.

 

 

 

Vorige Volgende