n.a.v. de vraag over het ongeboren kind

Vraag: nogmaals het ongeboren kind

Op mijn bericht over doodgeboren kinderen die nu in de basis registratie personen kunnen worden opgenomen ontving ik diverse reactie. Ik geef één hiervan hier weer:
Ik las het stukje over doodgeboren kinderen in de nieuwsbrief. Er wordt verwezen naar de Rijksoverheid. Toevallig had ik daar een poos geleden ook al eens geïnformeerd, maar daar wordt alleen geschreven over hoe de regeling vanaf nu wordt.
Wat mij en waarschijnlijk meerdere genealogen interesseert is: de registratie van doodgeborenen in de 19e eeuw en lang daarna was gebruikelijk. Daar vinden we ze gewoon in de burgerlijke stand. Is dat dan op een zeker moment afgeschaft? Zo ja, wanneer dan en zo mogelijk waarom.
Er is nu een hoop ophef over maar destijds was het gebruikelijk.
Kunt mij daar meer over vertellen?
Bij voorbaat dank,

Karel Tamboer, Haaksbergen.

Dit is een vraag die ik niet geheel bevredigend kan beantwoorden. Het gaat om doodgeboren kinderen die voorheen niet in Basisregistratie Personen werden opgenomen maar waarbij de ouders dit nu wel kunnen laten doen. Hierdoor wordt het mogelijk om levenloos geboren kinderen in de basisregistratie op te nemen en op die manier bestaansrecht te geven. Dit geldt ook voor kinderen waarvoor een Nederlandse akte is opgemaakt die vermeldt dat het kind op het moment van de aangifte niet in leven was. Het kabinet verwacht dat jaarlijks meer dan vijfhonderdvijftig ouders hun doodgeboren kind zullen opgeven. De wetswijziging is het gevolg van jarenlange strijd van een grote groep ouders van wie het kindje levenloos ter wereld kwam. Die ouders komen niet in aanmerking voor een uitvaartverzekering en veel van hen ervaren het als een groot emotioneel gemis dat ze hun baby niet kunnen laten registreren. Voorheen gold de regel: “Komt een kind dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan”. Werd een doodgeboren kind vroeger uitsluitend in overlijdensregister geregistreerd, het kind werd niet in het geboorteregister op genomen.
Wanneer de zwangerschap van een kind minder dan 24 weken had geduurd dan kon de begrafenis worden gereld door de ouders zonder aangifte. Het was daarbij niet relevant of het kind na de geboorte mogelijke tekenen van leven had getroond. Hierbij gold de wet op de lijkbezorging dus niet. Men kan dan bij wijze van spreken het kind in de eigen tuin begraven. Vroeger was de duur van de zwangerschap niet altijd even duidelijk. Vroeger werd dan als maat volgens de wet lijkbezorging een lichaamslengte van minder dan 30 cm gebruikt en/of een gewicht van minder dan 500 gr als limiet aangehouden voor de 24 weken zwangerschapsgrens.
Voor doodgeboren kinderen ouder dan 24 weken zwangerschap was voordat men een kind kon begraven aangifte wel verplicht. Een doodgeboren kind na 24 of meer weken zwangerschap valt onder de WLB en ook hier kan sprake zijn van natuurlijk of niet-natuurlijk overlijden. De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt in dit geval een ‘akte van een levenloos geboren kind’ op, naast een verlof tot begraven of cremeren. Sterft het kind na de geboorte dan geldt een andere regeling Wanneer een kind dat na een zwangerschap van tenminste 24 weken levend is geboren komt te overlijden, bestaat volgens de WLB de verplichting tot een lijkschouwing door de behandelende arts of de gemeentelijke lijkschouwer. Het overleden kind kan in dat geval pas begraven worden wanneer de officier van justitie het lichaam vrijgeeft. De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt na ontvangst van de benodigde verklaringen een geboorteakte en een overlijdensakte op en geeft vervolgens een verlof tot begraven of cremeren af. Vooral de inschrijving in het geboorteregister kan bij erfrechtelijke problemen doorslag geven.
De persoonsregistratie bij de burgerlijke stand dateert pas van 1850. Pas op 1 januari 1850 ging in Nederland het bevolkingsregister officieel van start. Het werd oorspronkelijk bijgehouden door de ambtenaar van de burgerlijke stand, maar al in 1861 werd dit de taak van het gemeentebestuur, d.w.z. de ambtenaar “ter secretarie”. Daarvoor volstond alleen de inschrijving in het doodgeboren register wanneer het kind ouder dan 24 weken zwangerschap was. Het aantal kinderen dat na de baring stierf was door gebrek aan obstetrische zorg zeeg hoog. Veel ouders zagen op tegen een begrafenis vanwege de kosten en pretendeerden daarbij dat het kind jonger was dan 24 weken zwangerschap. Vaak werden doodgeboren kinderen ergens anoniem gedumpt, zodat alles niet conform de officiële regelingen ging. Bovendien werden niet zelden kinderen bij alleenstaande vrouwen in stedelijke omgeving in kommervolle omstandigheden in het water gegooid of op andere manieren levenloos gemaakt. Dit waren anonieme kinderen. Dit alles maakt de wetsuitvoering complexer dan in ons tijdsgewricht.
Op de vraag “Wat mij en waarschijnlijk meerdere genealogen interesseert is: de registratie van doodgeborenen in de 19e eeuw en lang daarna was gebruikelijk. Daar vinden we ze gewoon in de burgerlijke stand. Is dat dan op een zeker moment afgeschaft? Zo ja, wanneer dan en zo mogelijk waarom””. Kan ik helaas geen bevredigend antwoord geven. Wellicht zijn er mensen met meer expertise die bereid zijn hier licht op te werpen. Graag uw commentaar naar jw.koten@hccnet.nl en naar karel@kareltamboer.nl