Schijndood

Schijndood was nog tussen de wereldoorlogen een probleem.

Schijndood was dan wel het ergste wat een mens kon overkomen.. In de Angelsaksische wereld gaf het horrorgenre aanleiding tot vernuftige alarminstallaties in graven, voor het geval een doodverklaarde bij bewustzijn mocht komen.

In Nederland was de reactie gematigder maar liet menigeen wel testamentair vastleggen dat hij pas mocht worden begraven wanneer zijn lijk begon te rieken Ook de wetgever reageerde. In 1825 kwam de bepaling dat een stoffelijk overschot pas na 36 uur ter aarde mocht worden besteld. Daartoe diende iedere begraafplaats over een zogenaamd schijndodenhuisje te beschikken. Zulke huisjes zijn later, in 1872, omgedoopt tot lijkenhuisjes voor drenkelingen en slachtoffers van besmettelijke ziekten, en nog weer later tot baarhuisjes; nu fungeren ze meestal als opslag voor gereedschap.

Ondanks deze voorzieningen werd in de Limburger Koerier het volgende voorval op 2 november 1927 geplaatst.
Het past in de sfeer van Halloween of Allerzielen.