Sekse-ratio 16-18de eeuw in Holland

De Hollandse steden kenden in de vroegmoderne tijd een zeer ongelijke sekseratio. Aanvankelijk was er sprake van een mannenoverschot, totdat in het derde kwart van de zeventiende eeuw de situatie omkeerde. Vooral in achttiende eeuw was het vrouwenoverschot aanzienlijk. In Delft was de verhouding zodanig uit balans, dat er in 1750 op elke drie volwassen vrouwen slechts twee mannen waren. Aan het einde van de achttiende eeuw telde Amsterdam 132 volwassen vrouwen voor elke honderd mannen. Van degenen die uiteindelijk wel trouwden, lag de leeftijd waarop zij in het huwelijk traden opmerkelijk hoog. Tot in de tweede helft van de zeventiende eeuw lag de gemiddelde huwelijksleeftijd van vrouwen in Amsterdam tussen 23,5 en 25 jaar en deze steeg verder in de decennia daarna. Mannen trouwden zelfs nog later, zij waren gemiddeld anderhalf tot twee jaar ouder dan vrouwen. In de achttiende eeuw liep de gemiddelde huwelijksleeftijd voor vrouwen in de Hollandse steden op tot 28 jaar. Een zeer aanzienlijk deel van hen trouwde zelfs pas na de dertig. Een beperkt deel van de getrouwde vrouwen kon ervoor kiezen om niet te werken. Sommige gehuwde vrouwen konden samenwerken met hun echtgenoten in het familiebedrijf. Anderen hadden wellicht een eigen beroep of onderneming. Getrouwde vrouwen waren officieel handelingsonbekwaam, maar konden als ‘koopvrouw’ wel zelfstandig opereren. Net als ongehuwde vrouwen waren de meeste weduwen genoodzaakt in hun eigen onderhoud te voorzien. In het onderzoek van Ariadne Schmidt naar weduwen in de Gouden Eeuw komen de diverse mogelijkheden voor weduwen om geld te verdienen aan de orde. Voor een deel van hen was het een optie om het familiebedrijf voort te zetten na het overlijden van hun echtgenoot. Weduwen die deze mogelijkheid ontbeerden, moesten op een andere manier voor inkomsten zorgen. De noodzaak om een inkomen te vergaren en de manieren waarop dat gedaan kon worden, was dus voor ongetrouwde vrouwen, getrouwde vrouwen en weduwen erg verschillend. Het is daarom van belang de factor ‘burgerlijke staat’ in dit onderzoek te betrekken.

 

Uit  het proefschrift van Marjolein Dekken (1976)

 

Reacties naar : jw.koten@hccnet.nl