Het Gooi algemeen

Onderzoek in Erfgooiersarchief

Een beetje geschiedenis
Ledenlijst 1708
Genealogisch onderzoek

Onderzoek in Koptienden registers 1504 … 1805

Al in de zestiger jaren onderkende de heer P.W. de Lange het belang van deze registers.
Hij schreef in een vijftal schriften de namen over uit de gaarderboeken en wel van de jaren 1504, 1537, 1566, 1593, 1622, 1651, 1680, 1708 en 1740 van alle gemeenten van Het Gooi.
Van Hilversum schreef hij bovendien de jaargangen 1772 en 1805 over. De intervallen gaan uit van de stelling dat elke generatie ongeveer 30 jaar omvat.

Onlangs besloten wij – na overleg met Mw. Abrahamse van het Streekarchief Gooi en Vechtstreek – het werk van de heer De Lange toegankelijker te maken door de vijf schriften met namen alsnog in een computer in te voeren. Door toepassing van standaardcodes voor voor- en achternamen hebben wij een index gemaakt, waarin de naamvarianten bijeen staan.

Deze klapper bestaat uit twee delen:
Index op voornaam
Index op achternaam

 

ERFGOOIERS

Als op 28 april 1979 de laatste algemene ledenvergadering in de Grote Kerk van Naarden wordt gehouden, komt een einde aan een eeuwenoud instituut, laatstgenoemd “Vereniging van Stad en Lande van Gooiland”; in de volksmond “De ERFGOOIERS”.

Wie waren die Erfgooiers?
Dr. A.C.J. de Vrankrijker formuleerde het als volgt:
“Een Erfgooier is elke meerderjarige man, die in mannelijke linie afstamt van de Gooiers die omstreeks het jaar 1300 van de Graaf van Holland het recht kregen om aan die graaf behorende grond zonder betaling van pacht te gebruiken. Hij werd als zodanig ingeschreven als hij in een van de Gooise gemeenten woonde”.

In tegenstelling tot het einde van “De Erfgooiers” is het begin zeer nevelig. Het eerste duidelijke schriftelijke teken van het bestaan van een “markegenootschap” dateert van 1326. In dat jaar ontvangen de Gooiers een brief van Graaf Willem III waarin – in modern Nederlands weergegeven – het volgende staat:
Ons is ter ore gekomen dat gij twee Raadslieden van het ghemeene land benoemd hebt en met hen het volgende hebt afgesproken:
     •
Telkens als zij de hoorn blazen moet gij allen tezamen komen en degene die niet komt, moet een boete betalen.
     •
Alles wat in de bijeenkomst wordt afgesproken, zal van kracht blijven.
Maar omdat wij nergens in den lande zulke bijeenkomsten toestaan en willen en overal verboden hebben, gelasten wij u en willen wij dat gij geen bijeenkomsten bijeenroept noch op de hoorn blaast tenzij door onze baljuw of onze schout.
De Gooiers kwamen dus regelmatig bijeen en maakten afspraken over het gebruik van de ghemeene landen Dit mocht slechts na toestemming van de graaf of een van zijn vertegenwoordigers. De graaf wilde als eigenlijke grondheer bij het nemen van dergelijke besluiten niet gepasseerd worden.

Uit allerlei stukken valt te concluderen dat de Gooiers het recht van gebruik hadden van zo genoemde gemene (= gemeenschappelijke) gronden.
Aanvankelijk bestonden deze gemene gronden uit alle gemeenschappelijke gronden voor zover niet bebost. Later werden hiermee alleen de daartoe behorende weilanden – de meenten – bedoeld. Voortdurend waren er conflicten over het gebruik en de dreigende verdeling van deze gemene gronden.
Regelmatig werden de Gooiers door de machthebbers teruggefloten. Pas in 1912 worden door middel van een speciale wet – de erfgooierswet – de rechten en plichten en het lidmaatschap in detail geregeld.
In de loop der eeuwen verschenen regelmatig reglementen de zgn. schaarbrieven waarin allerlei zaken werden geregeld.

Enige jaartallen:

1404


 

1442



 
 

1455

Eerste schaarbrief
De meenten blijven onverdeeld.
De schaarrechten worden toegekend aan de daartoe gerechtigden. (een schaar is de hoeveelheid weidegrond, nodig om één koe te voeden)
Uitsluitend aan in het Gooi wonenden

Tweede schaarbrief
Uitsluiting van o.a. de Stichtenaren
Schaarrecht is 8 koeien
Door ontstaan van de heiden:
Recht op schapen weiden voor de Hilversummers en de Laarders
(Zij woonden ver van de meentgronden en kregen dit recht ter compensatie)
Recht op het turf steken, biezen snijden en heide maaien wordt geregeld.

Derde schaarbrief
Lieden uit het Sticht mogen zich niet in het Gooi vestigen
Weduwen van Stichtse afkomst verliezen elk recht op meentgronden.

Vierde schaarbrief
Vijfde schaarbrief
Enzovoorts

Ledenlijst 1708
Rond 1700 ontstond weer eens een conflict over de schaarrechten met François Hinlopen, eigenaar van het landgoed Oud Bussem. Op dit landgoed bevonden zich twee boerenhoeven waarvan slechts één vanouds schaarrecht had. Hinlopen meende echter ook voor de tweede boerderij schaarrecht te kunnen claimen. De kwestie liep hoog op en kwam ter behandeling bij de Staten van Holland terecht.
De Staten namen daarop twee belangrijke beslissingen:

  • Er moet een kaart van Gooiland gemaakt worden met daarop een aanduiding van de gemene gronden.
    Deze kaart is door Justus van Broeckhuysen en Freye Klaasz Boelhouwer vervaardigd en in 1709 gereed gekomen.
  • Er moet per woonplaats een lijst van gerechtigden gemaakt worden.
    Deze lijst was in 1708 klaar en bevatte 1088 namen van gerechtigden waarvan 624 niet-scharenden (erfgooiers zonder vee).
    Iedereen, die zich gerechtigd achtte erfgooier te zijn diende aan te tonen af te stammen van een op de lijst voorkomende persoon.

Het is dus voor het eerst dat erfgooiers expliciet met naam worden genoemd.
Wie mocht menen dat hiermee alle problemen waren opgelost, wordt na bestudering van de historie echter teleurgesteld.
De kern van het probleem was de organisatie van het bestuur. In de 19e eeuw bestond het bestuur uit vertegenwoordigers van de gemeenten, die dikwijls de belangen van de gemeenten lieten prevaleren boven de belangen van de erfgooiers. Van een jaarlijkse algemene vergadering met af te leggen rekening en verantwoording aan de leden was geen sprake.

Rond 1900 ontstonden weer nieuwe conflicten over het beheer van de gemene gronden. Er ontstond zelfs een nieuwe vereniging die namens de erfgooiers rechten claimden over het beheer van o.a. de meenten. Dit liep zo hoog op dat bij ontstane rellen een dode viel.
Daarop bemoeide de Tweede Kamer zich met het conflict en er werd na enig politiek geharrewar besloten een wetsontwerp op te stellen dat alle belangen zo veel mogelijk zou respecteren. Op 14 maart 1912 werd door de Tweede Kamer en op 24 april door de Eerste Kamer een wet aangenomen.

“Wet van den 25sten april 1912, Staatsblad 149, tot vaststelling van de regelen betrekkelijk den rechtstoestand der vanouds genaamde gemeene heiden en weiden van Gooiland

De wet kent de “Vereniging Stad en Lande van Gooiland”.
Het doel van de vereniging is het bevorderen van de welvaart van die van Gooiland in het algemeen en de erfgooiers in het bijzonder, bepaaldelijk met het oog op landbouwbedrijf.
Jaarlijks wordt door het bestuur een ledenlijst vastgesteld. Iedereen kon op de ledenlijst geplaatst worden onder overlegging van bewijsstukken.
Voorwaarden tot plaatsing op de lijst waren:

  • afstamming in mannelijke linie van een dergenen, die voorkomt op een eerder opgemaakte lijst.
  • wonend in een der Gooise gemeenten.
  • meerderjarig en van het mannelijk geslacht.

Scharend lid konden alleen zij worden:

  • die een boerenbedrijf als hoofdbedrijf voerden,
  • gehuwd waren,
  • eigen stalling of erf in het Gooi hadden of huurden en daarin regelmatig ‘s winters eigen melkvee of paarden hadden.

Vanaf 1912 zijn er per jaar ledenlijsten opgemaakt gesorteerd per Gooise gemeente.

Toen in 1933 door Stad en Lande 1524 ha. bos en heide aan De Stichting Gooisch Natuurreservaat werd verkocht ontstond weer een grote opwinding onder de Gooiers. Iedere erfgooier ontving namelijk ƒ566,04 uit de opbrengst van ca. twee miljoen gulden.
In drie jaar tijds steeg het aantal erfgooiers van 850 naar 2973 leden. Deze eenmalige uitkering was voor vele niet scharende “slapende” erfgooiers aanleiding om alsnog lid te worden. Na de tweede wereldoorlog kwam o.a. door de grote woningnood en de daarbij behorende behoefte aan woningbouwgrond het einde van de vereniging in zicht. Het bestuur voerde daarom vanaf 1966 een ontbindingsbeleid. Er werd grond verkocht aan Rijk en gemeenten. Een deel van de gronden werd verkocht aan scharende leden. De resterende gronden werden verkocht aan het Gooisch Natuurreservaat, de NOS en anderen. Alle leden voorkomende op de ledenlijst van 1971 ontvingen tussen 1973 en 1979 in verschillende termijnen ca. ƒ 5200,- slotuitkering. Om de geest van Stad en Lande levendig te houden en als beheerder van de archieven, werd op 11 november 1977 de Stichting Stad en Lande van Gooiland opgericht.
De archieven bevinden zich thans in het Stadsarchief te Naarden.