Archief Kwartier van Nijmegen

Een selectie van artikelen eerder geplaatst op de site (vanaf november 2017): 

 

In januari 2019 verzorgde  René van Hoften  de lezing

‘Struikrovers in het Gelders-Brabantse grensgebied 1740-1810′

 

In de tweede helft van de 18e eeuw zaaiden bendes in dunbevolkte streken angst en schrik. Zo was er de Bossche bende, die de Duits-Nederlandse grensstreek onveilig maakte en de grens beschouwde als een buitenkansje om aan de ene zijde toe te slaan en aan de andere kant een schuilplaats te zoeken.

De bende bestond uit mannen met bijnamen als de Schotsman, de Forsse man, Rooije Peter, ’t Boterkleske en uit vrouwen (Stompes Trien, Stompes Mien en Ariens Nel). De bende wordt besproken door René van Hoften in het Nijmeegs Katern 30 (2016) pag. 50-52.

Herberg Batavia aan de grote weg van Nijmegen naar Weurt, Koningsstraat genaamd (tegenwoordig Weurtseweg.) Richting oosten naar de stad vóór de Franse belegering van 1794, omdat toen de herberg door de Fransen vanwege het ruime uitzicht is verbrand. Gravure door Hendrik Hoogers (ca 1793)

Een plaats in de Nijmeegse geschiedenis verwierf de bende dankzij de gewelddadige overval in mei 1765 op de Nijmeegse herberg-brouwerij-stijfselwerkplaats Batavia, eigendom van de familie Krayenhoff.

Uiteindelijk werden leden van de bende gevat – hoe is niet helemaal duidelijk – en een zevental werd in 1766 op de markt van Den Bosch van het leven beroofd: twee werden er opgehangen, vijf ‘van onderop levend geradbraakt’. Je kan het uitgebreide vonnis hier teruglezen (zie ook de afbeelding). 

Titelpagina vonnis ‘s Hertogenbosch 1766

Het verslag dat in ’s-Hertogenbosch openbaar gemaakt werd, geeft de indruk dat de ontmanteling van de bende begon met de arrestatie van Hermondus Reinholt: hij was de Schotsman, 17 jaar oud en in oktober 1765 in Helden ‘geapprehendeert’. Hij was geboren te ‘Arwilder’ in de  omgeving van Keulen. In zijn vonnis lees je o.a. over “…. eenen diefstal met huisbraak vermeld ‘by den Reghter Pauli in de stad Gogh’, wiens voorname woning aan den stadsmuur grenzende, niet dan met levensgevaar kon bereikt worden. ‘En alzoo in huys gekomen zyn en op den Trap gevonden hebben, een Lantaarn, waar in drie Kaarssen waren, welke sy met eenen swafel, die sy by haar hadden, aan de brandende Pyp, die syn Complice (van Reinholt) in de mond had, aangestoken hebben, en met een van die Kaarssen, in die Lantaarn zynde, in een Kamer gegaan zyn, en uyt een Kast, waar op een Sleutel stak, gestoolen hebben…’

Een van de medeplichtigenvan Reinholt was zijn leermeesteres  Hendricus Stoffe, die behalve als ’t Boterkleske nog als ‘Heintje van Goch’ bekend stond. Een voorname rol in het geheel was weggelegd voor Joseph de Vriese, alias Calotte, of Joseph van Testel, ook bygenaamt de verlope StudentPrins Carel, en de Capitein van hondert gauwdieven.

Tenslotte kan je Reinholt ook tegenkomen in de onvolprezen database “Dataschurk“. Bij zijn vermelding is een lijst opgenomen van maar liefst 313 namen uit “Lyste van Vagabonden, Gaauwdieven, Struikrovers en andere
suspecte perzonen etc. 1766″

 

In november 2018 vertelde  Janwillem Koten  over

‘De Spaanse griep en andere nare gevolgen van de Grote Oorlog 1914-1918’

Honderd jaar geleden kreeg Nederland te maken met de ernstigste epidemie aller tijden, namelijk de griep die men, ten onrechte, de Spaanse griep noemt. Het bijzonder treurige van deze griep was dat het vooral jonge mannen trof die binnen enkele dagen na de infectie stierven.

De Spaanse Griep meldt zich bij het Bevolkingsregister. Prent met betrekking tot de uitbreiding van de Spaanse Griep in Nederland, met het aan de opera Carmen ontleende onderschrift: ‘Si tu ne m’aimes pas, moi je t’aime!’. Lithografie P van der Hem voor een omslag van De Nieuwe Amsterdammer, 27 juli 1918. (collectie Flanders Fields Museum, Ieper, België)

Deze griepgolf manifesteerde zich in West-Europa tijdens de zomermaanden van 1918, het laatste jaar van de eerste wereldoorlog (1 augustus 1914 – 11 november 1918). Deze Spaanse griep zou later leiden tot een nationale griepcatastrofe die de bevolking van Nederland als geheel teisterde.

Mobilisatie Hoewel Nederland door veel geluk buiten de oorlog was gebleven, had deze oorlog door de massale vierjarige mobilisatie waarbij meer dan 220.000 mannen gemobiliseerd en slecht gehuisvest waren, een diepgaande invloed op het risico van infectieziekten. De gemobiliseerde krijgsmacht was door de slechte legering van de troepen en de zeer povere hygiëne extra kwetsbaar geworden voor infectieziekten. Ook Nederland werd getroffen door de Spaanse griep, die in eerste instantie vooral de gemobiliseerde jonge militairen trof. Zij deed zich het eerst voor in de garnizoensplaatsen met veel militairen. Uiteindelijk trof deze pandemie de burgerbevolking als geheel. Tegen het einde van de oorlog was de gezondheidstoestand van de stedelijke bevolking, mede door de honger en andere tekorten (zeep, verwarming et cetera), zeer zorgwekkend geworden. Mede daardoor was er een massale sterfte door de griep, ook bij de gewone burgers.

Drie fasen  Gewoonlijk onderscheidt men in deze griepgolf drie fasen. De eerste fase tijdens het voorjaar 1918 verliep gematigd en als gebruikelijk. Vanaf mei veranderde de epidemie, wat samenhing met de komst van de eerste VS-militairen die naar Europa waren verscheept en die al in de VS met dit zeer kwaadaardige virus besmet waren. Deze militairen werden ingezet aan het westelijke front in Europa. Bij het begin van de wintermaanden in 1918 veranderde ook het verloop van de ziekte. Het verloop was langduriger en ook het aantal sterfgevallen bij oudere mensen nam toe (………………….
…..)  lees de complete lezing hier

 

In oktober 2018 verzorgde Sven Meeder de lezing

‘Redbads familiepolitiek: van de marge naar het centrum’

De recente film “Redbad” biedt een duidelijk beeld van de Friese leider Redbad (of Radboud): een vrijheidsstrijder die heldhaftig streed tegen de vijandige Franken. Een dergelijk zwart-wit verhaal leent zich goed voor het witte doek, maar de bronnen laten ons een veel genuanceerder beeld zien. Ze tonen dat Redbad, als leider van het Friese volk aan de marge van de Frankische wereld, erin slaagde om in korte tijd door te dringen tot het centrum van de Frankische macht. Zijn belangrijkste “wapen” was niet het zwaard, maar familiepolitiek. En het had niet veel gescheeld of Redbad had de overwinning kunnen claimen. Maar het liep anders…

 

Sven Meeder is universitair docent Middeleeuwse Geschiedenis aan de Radboud Universiteit en heeft recent samen met Erik Goosmann een boek geschreven over Redbad: “Redbad: Koning in de marge van de geschiedenis” (Spectrum Uitgeverij: Houten, 2018).

 

Meer informatie over Redbad/Radboud op deze pagina.

 

in september 2018 sprak Peter van Schaik over

‘Drie oude monumentale begraafplaatsen in Nijmegen’

De eerste RK begraafplaats aan de Daalseweg, ook wel ‘het Père Lachaise van Nijmegen genoemd. Een rustoord midden tussen de huizen en winkels van Nijmegen-Oost, een Openluchtmuseum, een paradijs voor liefhebbers van de rijke Rooms-Katholieke Begraafcultuur. Je waant je in een filmdecor. Het is een

Grafmonument Randag Daalseweg (ca. 1928)

stenen archief met graftekens van bekende inwoners zoals Oscar en Henri Leeuw, C.A.P. Ivens, de “dikke” Selbach, families zoals Dobbelmann, Bahlmann en Dreesman. Een apart hoofdstuk vormen de oorlogsherinneringen, vooral veel burgerslachtoffers van het bombardement van 22 februari 1944, de bevrijding als granatentijd daarna.

De Algemene Begraafplaats aan de Dorpsstraat te Neerbosch lag ten noorden van het Witte kerkje aan de Dorpsstraat. Dit kerkje was toegewijd aan St. Antonius Abt tot het in 1591 overging op de hervormden. Op het kerkhof werden na de Reductie zowel Nederlands hervormden als rooms-katholieken begraven. In de hervormde kerk is er begraven tot 1829. Ook ligt er een link met de Weesinrichting Neerbosch (Kinderdorp). Deze inrichting beschikte pas in 1878 over een eigen begraafplaats. Het kerkhof bij het Witte kerkje sloot in 1890 zijn poort .

Na de inlijving van het Koninkrijk Holland bij het Franse keizerrijk in 1810 kwam er een verbod op begraven binnen de stadsmuren en in kerkgebouwen. Op grond van dit verbod besloot het stadsbestuur op 13 november 1810 een algemene begraafplaats aan te leggen buiten de Hertogsteegpoort, aan de latere Steenenkruisstraat. Dit terrein behoorde tot de vestinggronden die in 1808 door Lodewijk Napoleon aan de stad geschonken waren. Op 20 mei 1811 vond de eerste begrafenis plaats. Kort daarna werd de begraafplaats opgesplitst in een protestants, een rooms-katholiek en een joods gedeelte. Op 1 januari 1905 werd deze begraafplaats gesloten.

 

Peter van Schaijk is bestuurslid van de Stichting In Paradisum.

 

  • De index van de begraafplaats Daalseweg is doorzoekbaar via deze link
  • De begraafplaats figureert in deze muziekvideo

 

In mei gaf Gerrit Woertman een lezing getiteld:

‘DNA als hulpmiddel bij genealogisch onderzoek’

Vragen die o.a. aan de orde kwamen:

  • welke soorten DNA zijn er?
  • Wat kun je er mee vinden?
  • Waar sluit DNA onderzoek aan op bestaande genealogische onderzoeksmogelijkheden?

 

Gerrit illustreerde zijn verhaal onder meer met voorbeelden uit het vroegere Indië, en vertelde iets over migratiestromen in die regio. Voor meer (achtergrond-)informatie kan je terecht op de site van de spreker: dnagezocht.com (Biologie, DNA tests, voorbeelden en meer). Aanbevolen!

 

Na zijn lezing van mei j.l. ontvingen wij van Gerrit nog een aantal onderzoekstips:

 

De lezing van  dinsdag 13 maart j.l. door Steffie van den Oord:  

De vrouw met de bijl

 

Vrouwen moorden minder vaak dan mannen, maar ze hebben meestal een beter verhaal: hoe je iemand per ongeluk door zijn hart kunt steken, een moord gepleegd als verzetsdaad ná de oorlog, of een baby die verdween door hem op de vijlbank van de vader te leggen (in de Achterhoek, 1774).

 

Speciale aandacht deze avond voor de Nijmeegse Sofie van Bemmel (De vrouw met de bijl). Haar crimineel procesdossier in het Regionaal Archief Nijmegen vormde de basis de basis voor een reconstructie van de gebeurtenissen in 1712.

 

Sofie van Bemmel (geboren ~ 1666) woonde in de Gouveneursgas te Nijmegen. In het najaar van 1712 pakte ze een bijl, waarmee ze haar moeder het hoofd insloeg.

Statie der Augustijnen Nijmegen 13 november 1702

Moeder was oud en had volgens Sofie allang geen zin meer in het leven. Maar misschien wilde Sofie zelf ook wel van haar af, want moeder had haar 10 jaar eerder gedwongen haar pasgeboren buitenechtelijke kind (zie afbeelding doopinschrijving) te doden. Met dezelfde bijl. Na deze tweede moord gaf Sofie zich op het stadhuis aan en werd ze op 14 november 1712 onthoofd op de Grote Markt in Nijmegen.

 

Steffie is het meest bekend door haar boek ‘Eeuwelingen’ (2002). Zij heeft ook meerdere historische publicaties op haar naam. Bezoek haar site voor meer informatie (b.v. over haar nieuwste boek ‘Honkvast’, verschenen in 2017).

 

Het verhaal van februari 2018: Wil Schackmann:

De bedelaarskolonie te Ommerschans

 

Er is aan het begin van de negentiende eeuw in ons land sprake van ‘luilevende armen’, die in plaats van te werken liever hun hand ophouden. Men noemt ze ‘ene grief voor onze natuur, luije buiken, onbeschaamde deugnieten, zedelooze voorwerpen’. In het in 1822 te Overijssel opgerichte bedelaarsgesticht de Ommerschans zullen die eens hard worden aangepakt en heropgevoed. Uit alle windstreken, van Hoorn tot Veere en van Brussel tot Groningen, worden de bedelaars door gemeentebesturen ‘opgezonden’. Maar zijn het wel allemaal bedelaars?

mandenmakerij Ommerschans
Jongens rond 1900 aan het werk in de mandenmakerij in Ommerschans (Vereniging de Ommerschans)

Met veel liefde voor het onderwerp en de mensen die er een rol in spelen beschrijft Wil Schackmann hoe het bedelaarsgesticht tot stand kwam, wat voor mensen daar kwamen en hoe die werden behandeld. Doorspekt met anekdotes over het dagelijkse leven in het etablissement, komt men er achter waar de warme maaltijd uit bestond, welk werk de bedelaars verrichtten en hoe ze werden gestraft voor overtredingen van het tuchtreglement. Een verrassende conclusie van zijn onderzoek in de archieven van de Ommerschans is dat 60% van de ‘bedelaars’ een lichamelijke of geestelijke beperking had en daarom schreef het Historisch Nieuwsblad: Wie op zoek wil naar de oorsprong van de Nederlandse verzorgingsstaat moet kennis nemen van deze studie van Wil Schackmann.

Wil Schackmann is sinds 1987 full time schrijver. Hij publiceerde o.m. drie boeken over de landbouwkoloniën van de Maatschappij van Weldadigheid, zie ook extra informatie op zijn site.

 

Genealogie

Veel Nederlanders komen tijdens hun onderzoek in aanraking met bewoners van de Koloniën. Je kan zoeken in de databases van alledrenten.nl en op de site van de historische vereniging De Ommerschans. Genealogisch onderzoek van o.a. Helmuth Rijnhart heeft in kaart gebracht wie de eerste bewoners waren van de grote hoeves op het terrein rond de eigenlijke schans. Veel tegenwoordige inwoners van het gebied blijken familiebanden te hebben met deze ‘hoevenaars’. De eerste paar duizend bedelaars staan op bonmama.nl en ook daar zitten er bij die in Avereest en omgeving een groot nageslacht hebben nagelaten.

Na zijn lezing van februari j.l. stuurde Wil Schackmann ons nog een aantal onderzoekstips:

Voor zoeken op internet in de registers van bedelaars, veteranen, arbeiders en andere koloniebewoners, zie deze artikelen: Deel 1, Deel 2 en Deel 3. Om te zoeken in het archief van de Maatschappij van Weldadigheid bij het Drents Archief volg je deze link.

Die eerste bewoners van de kolonie, de proefkolonisten vind je hier, een aantal andere betrokkenen bij de proefkolonie staan hier. Zie verder nog een losse collectie latere kolonisten, een aantal bedelaars en een aantal employés van het bedelaarsgesticht op de Ommerschans.

 

Achtergrond

De Koloniën van Weldadigheid waren een idee van generaal Johannes van den Bosch uit 1818. Hij wilde de enorme armoede na de Franse overheersing bestrijden door mensen hun eigen grond te geven, die ze moesten verbouwen onder zware omstandigheden. Het experiment was geen onverdeeld succes.
Tussen 1818 en 1825 werden de Koloniën van Weldadigheid opgericht, in dunbevolkte uithoeken van het koninkrijk. Vijf koloniën bevinden zich in het noordoosten van het huidige Nederland: Frederiksoord, Willemsoord, Wilhelminaoord, Ommerschans en Veenhuizen. De Koloniën zijn herkenbaar aan hun unieke lanen en gebouwen, die qua uitstraling sterk op elkaar lijken en bovendien nog in goede staat verkeren

Pentekening van het oude gesticht in Ommerschans (Historische Vereniging Avereest)

Er wordt wel eens anders beweerd, maar de Ommerschans is de eerste en in het begin de grootste dwangkolonie van de Maatschappij.

Het bedelaarsgesticht komt in 1820 gereed. Centraal staat het hoofdgebouw, een twee verdiepingen tellend kloosterachtig vierkant gebouw met een grote binnenplaats en met blinde buitenmuren van 100/120 meter elk. Op de hoeken bevinden zich de verblijven van de zaalbeheerders, deze hebben wel ramen. Het hoofdgebouw is bedoeld voor 1200-1500 bedelaars, die in dertig zalen van 40 á 50 personen zijn ondergebracht, naar sekse gescheiden. Over de binnenplaats is een houten hek aangebracht, waarlangs wachters patrouilleren. Op de binnenplaats, maar ook in een reeks van bijgebouwen, zijn werkplaatsen ingericht waarin de arbeid moet worden verricht. Het gaat daarbij om spinnen, naaien, weven, breien en verstellen voor vrouwen en om klompen, schoenen en kleren te maken voor mannen. Ook is er een smederij, een touwslagerij, een spijkermakerij en een timmerwerkplaats. Er is een grote juteweverij met 100 weefgetouwen voor het vervaardigen van koffiebalen. Vanwege het ontsnappingsgevaar is het complex met een gracht omgeven. Buiten de gracht liggen boerderijen (uiteindelijk 21) waar men, onder geleide van soldaten, landarbeid verricht.

Ommerschans
De enig bekende foto van het oude gesticht in Ommerschans (detail ansichtkaart). De foto is vermoedelijk genomen na de sluiting van het gesticht (1890) en vóór de sloop (rond 1900). De foto is genomen vanaf de noordzijde, op de voorgrond rechts is de binnengracht zichtbaar.

De beloning voor arbeid is nominaal fl. 1.50 per week. Daarvan wordt fl. 1,- ingehouden voor kost en werkkleding. De overige 50 cent wordt uitbetaald in bonnen (later OS geld), die buiten het gesticht geen waarde hebben en dus alleen te besteden zijn in de winkel van het gesticht. Hiervan moet men ook een extra maaltijd kopen, naast de ene warme (slechte) maaltijd per dag die iedereen krijgt. Wie niet in staat is om te werken, wordt gekort op zijn uitkering; wie extra werk kan verzetten, heeft de mogelijkheid om meer dan fl. 1.50 te verdienen. Wie op deze wijze meer dan fl. 25,- heeft weten te sparen (oververdienste!) kan in aanmerking komen om ontslagen te worden uit het gesticht.

Ofschoon de kolonies opgericht zijn ter verheffing en beschaving van arme lieden, heeft ze deze pretentie maar zeer gedeeltelijk kunnen waarmaken. Zo ook in de Ommerschans: er is een schooltje annex onderwijzerswoning op het terrein, maar omdat ook kinderen (vanaf 8 jaar) geacht worden geld te verdienen en dus te werken, komt er van schoolgaan niet veel. Ook met de beoogde zedelijke verheffing is het droevig gesteld: het aangebrachte hek tussen de mannen- en vrouwenverblijven, ook echtparen zijn van elkaar gescheiden, heeft geen enkel effect, volgens bezoekers van het gesticht zijn de meeste meisjes en vrouwen zwanger (zie voetreizen van Van Lennep en Van Hoogendorp).

 

Voor het eerst sinds jaren is de afdeling KvN weer vertegenwoordigd in het hoofdbestuur van de vereniging. Maarten stelt zich voor:

“Mijn naam is Maarten van der Voort. Op de ALV van 25 november ben ik benoemd tot lid van het Hoofdbestuur. Daarvoor was ik al enkele jaren passief lid van de NGV. De echte passie voor genealogie is in 2011 ontstaan.
Ik ben 32 jaar oud, getrouwd, vader van 1 zoon en woon in Bunnik. Mijn genealogische band met het Kwartier van Nijmegen is voor mij een belangrijke. De stamvader van mijn eigen familienaam komt er vandaan, namelijk Joannes van der Voort (getrouwd 10.04.1760 met Maria van Bergen te Wamel). Vanaf daar wordt het verder terug in de tijd onzeker. Inmiddels heb samen met mijn neef al veel tijd besteed aan deze regio om een nieuw spoor te vinden, maar met beperkt succes tot heden. Toch zijn er nog zoveel interessante bronnen niet ontsloten dat ik er niet aan twijfel op een dag de volgende link op papier hard te kunnen maken.
Binnen het hoofdbestuur neem ik de portefeuille juridische zaken en verzekeringen voor mijn rekening. Dat is een bewuste keuze vanwege mijn achtergrond als oud-advocaat/jurist. Verder probeer ik samen met de andere bestuursleden de toekomst van de NGV zeker te stellen. Daar is de steun, input en inzet onmisbaar van de afdelingen en haar leden die zich hiervoor actief willen inzetten. Actieve leden kunnen we trouwens nooit te veel hebben! Dus als u zich voor de afdeling in het Kwartier of de landelijke vereniging in Bunnik wilt inzetten, aarzel niet om contact op te nemen! Ik kan uit eigen ervaring vertellen dat het ontzettend voldoening en plezier geeft. Wellicht tot ziens op eens van de vele activiteiten van onze mooie vereniging!”

 

De afdelingsbijeenkomst van januari 2018 vond plaats te Arnhem. Voor en na de lezing (zie onder) konden bezoekers een uur informatie over de NGV en de genealogieprogramma’s GensDataPro en AldFaer krijgen en was er gelegenheid tot het stellen van onderzoeksvragen (‘genealogisch spreekuur’).

koorts honger

Lezing door Hans van den Broek:

‘Koorts en honger’ geneeskunde op het platteland in de afgelopen eeuwen.

Hans combineert oude teksten met hedendaagse kennis en reconstrueert zo ziektes en kwalen waaraan onze voorouders leden en vaak stierven. Het merendeel van de kwalen werd veroorzaakt door infecties (koorts) en slechte voeding (honger). Aan de orde komen o.a. lazerij, vierdedaagse ziekte, rode loop en de clapoiren (Venusziekte na damesbezoek). Ook de behandelmethodes waren divers en bizar. Hans licht de praktijken van de chirurgijn, medicine dokter en vroedvrouw toe.

De chirurgijn die in de grote steden lid was van een gilde, was meestal in een meester-gezel situatie opgeleid. Na een plaatselijk examen mocht hij zelfstandig gaan werken. Zo moest hij botte ijzertjes “vlijmscherp” kunnen slijpen. Zijn werk bestond uit het zetten van botbreuken, uitvoeren van aderlatingen, het fabriceren van talloze smeerseltjes (pleisters genoemd) die op wonden of ontstekingen gelegd werden. Hij maakte wollen riemen met kwikzalfjes erin om luizen te lijf te gaan, leverde middelen tegen wormen of poedertjes tegen buikpijn. Hij beoordeelde de gezondheid aan de hand van glazen flesjes met pis (kijken ruiken proeven). Af en toe -en dan onder toezicht en na toestemming van 2 burgemeesters en een medicine doctor- mocht hij een operatie uitvoeren zoals het afzetten van een been of een borst met kanker of het uitvoeren van een schedellichting. Verder deed hij lijkschouwing na een moord. De lengte van een verwonding gaf hij op een papiertje aan waarbij hij het papier naast de wond had gehouden toen hij de streep van de wond natrok.

Gemiddeld was er per 1000 inwoners een chirurgijn werkzaam. Zijn “baas” was de medicine doctor. Die had gestudeerd aan de universiteit, was zeldzaam en daarom maar 1:10.000 inwoners aanwezig. Deze medicus gaf alleen advies, overnachtte zo nodig bij een zieke patient en gaf talloze opdrachten die de chirurgijn dan meestal uit moest voeren (zoals aderlaten of het samenstellen van een clysma of zweetmiddel). Meestal maakten alleen de hogere standen van zijn diensten gebruik.

De vroedvrouw had het vak in de paktijk geleerd van een andere vrouw. Vaak was dat haar moeder en bij 10% van de dames bleek dat ze gehuwd was met een chirurgijn. Er bestonden veel regels waar ze zich aan moest houden, zo mocht ze nooit het dorp verlaten als er iemand bijna moest bevallen, zich niet bedrinken en niet weglopen als ze zich geen raad meer wist. Bovendien moest ze altijd vragen wie de vader was. Als een ongehuwde moeder niets wilde zeggen wachtte ze een paar weeën af en zei dan “nou goed je ziet maar, ik ben weg”. Bij de volgende wee ging de vrouw dan meestal overstag en riep huilend “Janssen is de vader” (grapje). Ja en dan wist de drost ook weer wie de rekeningen ging betalen. Arme vrouwen mocht ze geen geld vragen bij een bevalling. De vroedvrouw gaf ook les aan jonge meisjes over typisch vrouwelijke zaken en moest soms als getuige deskundige voor een rechtbank vrouwen onderzoeken op zwangerschap, geslachtsziekte of verwondingen. Op veel plaatsen voerde zij het toedienen van een clysma (het toedienen van een laxeermiddel van achter in de darm) bij vrouwen uit.

Hans van den Broek is arts-radioloog en geeft ruim 25 jaar lezingen over de geschiedenis van de geneeskunde, hij publiceerde o.a. in genealogische tijdschriften.

 

Inschrijvingsregisters Vierdaagse 1921-1939

Wellicht niet bij iedereen bekend: je kan afbeeldingen van vooroorlogse inschrijvingsregisters hier doorzoeken (kies ‘Inschrijvingsregisters Vierdaagse’).

 

Na een kort ziekbed is op 18 oktober 2017 overleden

FER BOSHOUWERS

Oud-bestuurslid Kwartier van Nijmegen

Wij wensen zijn familie alle kracht toe om dit verlies te dragen.