het leven zit

vol verhalen

Korte historische achtergrond van het Jodendom.

Vanuit Israël zijn voortdurend Joden gemigreerd in alle richtingen. Tijdens de Romeinse periode waren er veel Joden in de diaspora. Men vermoedt dat ca. 10% van de bevolking van het Romeinse imperium Joodse wortels had. Er zijn historische aanwijzingen dat er vanuit Israël twee migratiestromen zijn geweest die voor Europa belangrijk blijken. DNA-onderzoek ondersteunt dit vermoeden.

Sefardische Joden

Een eerste migratiestroom (2-3 eeuwen voor Christus), die de Babylonische tradities volgt, ging westwaarts, langs de Noord-Afrikaanse kust tot in het Iberisch schiereiland. Vooral in Zuid-Spanje kwamen de Joden tot grote culturele bloei en tot welstand. Maar ook in Tunis, Marokko en Algiers waren grote bloeiende Joodse gemeenschappen. Deze Joden is men de Sefardische Joden gaan noemen. Dit woord is afgeleid van het woord ‘sfarad ‘(1) dat in het Hebreeuws ‘Spanje’ betekent. Toen Zuid-Spanje in 1492 door de Noordelijke Spanjaarden werd veroverd, zochten deze Joden hun heil in noordelijke richting, zoals Antwerpen en Amsterdam. Daar waren ze door hun culturele rijkdom, welvaart en handelsgeest welkome gasten. Ze hadden bovendien intensieve commerciële contacten met Brazilië, de Portugese kolonie. Deze ‘Portugese’ Joden golden als welvarend en aristocratisch. Zij stichtten al vroeg de Portugees-Israëlitische gemeenschap mét synagoge (ca. 1630) in Amsterdam. Als voertaal gebruiken zij een mengvorm van Spaans en een klein deel Hebreeuws, het Ladino. De meesten van deze Joden behielden hun oorspronkelijke Portugese namen.

Asjkenazische Joden

Een tweede belangrijke migratiestroom vanuit Israël volgt vermoedelijk later; mogelijk tijdens de Byzantijnse periode. Men trekt oostwaarts (richting Turkije) en naar het Noorden (Balkan). Er ontstaan daarna diverse grote Joodse gemeenschappen in de Balkan en in gebieden die wij nu ‘Oost-Europa’ noemen. Veel Joden migreerden naar Rusland en Polen, maar er waren ook grote Joodse gemeenschappen in Hongarije, Oostenrijk en Roemenië. Deze Joden is men ‘Asjkenazim’ gaan noemen. Deze naam is afgeleid van ‘Askenaz’, een naam uit de rabbijnse literatuur die verwijst naar ‘Askenaz, kleinzoon van Japheth’ genoemd in Genesis (Bereshet 10.3). Deze Joden waren sterk aan het getto-leven gebonden. In de 17de eeuw migreerden zij, veelal na pogroms, naar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en vestigden zich, in behoeftige omstandigheden, vooral in Amsterdam; maar ook op het soms meer tolerante platteland. Zij spraken Jiddisch (een Duits-Joodse mengtaal) en zij volgden verder in hun gebruiken de oude Israëlische tradities. Zij trokken zich terug in een getto-wereld, waar ze onderling steun en gezelligheid vonden. Meestal was het een gedeelde armoede. Zij gebruikten vaak als naamgeving een Patroniem (naam vader). Bij de naamkeuze tijdens het Napoleontische bewind moesten ook zij een vaste achternaam aannemen.

Het duurde toch nog vele jaren na de Napoleontische tijd dat men zich van de getto-cultuur ontdeed. Inmiddels hadden zich ook binnen het Jodendom nieuwe, meer liberale, visies ontwikkeld (o.a. door de filosoof Mendelsohn) die de integratie bevorderden. Aanvankelijk bestonden er tussen de Sefardim en de Asjkenazim weinig contacten, beiden hadden hun eigen gebedshuizen, begraafplaatsen etc.; gemengde huwelijken kwamen zelden voor.

Joods Nederland

Vóór de tweede wereldoorlog hadden wij in Nederland een grote Joodse Gemeenschap die ongeveer 210.000 personen omvatte. De helft daarvan woonde in Amsterdam, ongeveer 10% van de Amsterdamse bevolking waren Joden. In totaal hebben door de eeuwen heen in Nederland ca. 3/4 miljoen Joden geleefd. Vanaf de 16e eeuw, toen Nederland een republiek werd, hebben Joden zich hier gevestigd als migranten en vluchtelingen, zij het wel onder strikte voorwaarden. Pas met de Franse bezetting (1795-1813), kregen de Joden burgerrechten en een gelijkwaardige status als de overige bewoners van dit land. Per 1 januari 1811 werd de burgerlijke stand ingevoerd. Het gevolg was dat ook de Joden een achternaam moesten kiezen. In de getto-gemeenschap gebruikte men veelal patroniemen. De Joodse invloed op het sociale, culturele en economische leven zien we vooral vanaf 1850 toenemen toen de Joden geleidelijk aan hun getto verlieten en actief deel gingen nemen aan de samenleving. De invloed van de Joden op de Nederlandse cultuur en samenleving was, zeker in Amsterdam, uitzonderlijk groot. (Geschiedenis van de Joden in Nederland, onder redactie van Hans Blom, Rena Fuks-Mansfeld en Ivo Schöffer,   ISBN 90-5018-296-). Amsterdam kreeg bovendien de eretitel ‘Mokum’, dat het Hebreeuwse woord is voor ‘plaats’ (Makom).

Na de verschrikkingen van de tweede wereldoorlog is de Joodse gemeenschap in Nederland gedecimeerd; bijna 2/3 van alle Nederlandse Joden is vermoord. Van de kleine groep die terugkeerde, of uit de onderduikadressen te voorschijn kwam, verlieten velen Nederland. Een groot deel migreerde naar Israël, een ander deel ging naar Antwerpen, Frankrijk of de Verenigde Staten. Momenteel telt de Joodse bevolking in Nederland ongeveer 35.000 zielen. Het is een kleine, maar zeer actieve, minderheid die veel aan de samenleving bijdraagt. Velen hebben hoge posities in de regering, de wetenschap en de industrie.

Bijzondere namen

Enkele namen hebben voor Joden een speciale betekenis; dat zijn de namen: Cohen, Levi en Yisraeel.

De familienaam ‘Cohen’ wordt gegeven aan alle mannelijke afstammelingen van Aäron, die in Bijbelse tijden de eerste hogepriester was. Deze groep behoorde dan ook volgens de joodse traditie tot de priesterklasse. De officiële schrijfwijze is KoHeiN (KHN) dat voor ‘priester’ of ’staatsdienaar’ staat. ‘Kohein Gadol’ is ‘hoge priester’. Deze naam wordt in veel landen in talloze variaties geschreven, zoals: Kohn, Cohn, Kahn, Cahn, Kohen, Kohenius, Catz, en Katz. De naamdragers Cohen hebben voorrang in de synagogendienst. Ze komen als eersten in aanmerking voor de Thoralezing en ze spreken op feestdagen de priesterlijke zegen uit.

Zij zijn aan bepaalde extra regels onderworpen en hun huwelijkskeuze wordt daarmee danig beperkt. Het aardige is dat veel naamdragers ‘Cohen’ overeenkomstige DNA-profielen hebben.

Joden met de naam ‘Levi’ stammen af van de stam Levi. Ze worden ook Levieten genoemd en hadden functies in de tempel. In veel synagogen zijn de naamdragers Levi betrokken bij de eredienst. Verbasteringen van de naam Levi zijn zeer talrijk, zoals: Levin, Levine, Levitt, Lever, etc. Personen met de namen Cohen en Levi worden met extra respect behandeld. Op graven hebben de Cohens vaak ‘opgeheven handen’ als eresymbool; de Levi’s een schenkkan.

De familienaam ‘Israël’ is een alternatieve naam voor de gewone Joden die geen Cohen of Levi heten. Het aantal variaties op deze naam is zeer groot: Israeli, Yisrael, Disraeli Yisroel, Yisraeel.

Aan de hand van de achternamen kan men dus inschatten tot welke joodse groep iemand behoorde ( en vaak ook wanneer men naar de akte van naam-aanneming zou kunnen zoeken). Bedenk echter dat heel wat Joden standaard Nederlandse namen hebben zoals: Heimans, de Leeuw, Gans, Mok, Knoop, Engelsman, de Hond, de Vries e.d. Bedenk verder dat een naam in het Duits ‘typisch Joods’ kan zijn maar in Nederland niet onmiddellijk (Koten). Het is dus zaak niet te snel conclusies te trekken.